zondag 18 november 2007

Les 2

    Webservice = uitwisseling over het web (via HTTP) doormiddel van tekstbestanden (.txt, .xml, .html)

    --> oplossingen zonder XML: CSV bestanden, HTML.

    Nadeel CSV = altijd tabelgestructureerd.

    SGML = structured generalized markup language

    XML = eXtensible Markup Language

    Voordeel van XML - je hoeft de parser niet te schrijven (Zie vorige week voor parser).

    Voorbeelden van markuptalen die gebaseerd zijn op XML:

  1. (X)HTML
  2. RSS
  3. MathML
  4. QTI
  5. XML = set van standaarden hoe je informatie uitwisselt.

    Unicode = dat elk character een eigen nummer heeft.

    --> "Unieke code"

    Xml -------------------> applicatie ----------------------> XML

    parseren serialiseren


    XML familie:

  6. Selecteren = Xpath (= een soort van SQL voor databases, een manier om data te selecteren)
  7. Presenteren = XSLT
  8. Programmeren = SAX/DOM
  9. Modelleren = DTD, XML
  10. Toets: 2 vragen wellformed XML

    Waar bestaat het uit (bouwblokken):

  11. Elementen (= , . Maar ook het hele artikel)
  12. Attributen (= de informatie in de open-tag. Heeft altijd een naam en een waarde.)
  13. Tekst (= de inhoud van de elementen en tekstnodes en speciale characters zoals <.)
  14. Geschiedenis:

    1986: SGML --> HTML

    1998: XML ---> XHMTL

    XML is een vereenvoudiging van SGML

    XML is strenger dan SGML:

  15. Case-sensitive
  16. Attrubten moeten tussen aanhalingstekens
  17. Elementen moeten worden afgesloten
  18. Elementen vormen een strikte hierarchie.
  19. XML die zich aan alle regels van hierboven houdt, is het welformed XML

Geen opmerkingen: