zondag 9 september 2007

PopUp 2.2

In deze paragraaf stelt de schrijver zich de vraag hoe het kan dat een steeds individueler wordende samenleving zich soms nog als 1 sentimenteel collectief kan samenvormen.

Dit slaat op paragraaf één, waar weken lang gerouwd werd om het feit dat er één volkszanger is dood gegaan.

In deze paragraaf wordt (geprobeerd) antwoord te geven op deze vraag door middel van het ontleden van het verleden, en hoe de individualisering van de samenleving is begonnen.

Het begon allemaal toen we ons in gingen delen in zuilen. Staten in de staat. Hierna kwamen de belangengroepjes. Dit waren vluchtige zelfhulpclubs en een hoop individuen die zich steeds minder onderdeel begonnen te voelen van de maatschappij.

Daarna ontstond wederom een nieuwe zuil, namelijk de babyboomers. Dit waren hoger opgeleide die een abonnement op een krant hadden. Daar tegenover stond het klootjesvolk: “de gewone man die het niet begreep, die nauwelijks een krant las, die niet mee kon praten en eigenlijk ook niet mee mocht praten”.

Toen het paarse kabinet van Wim Kok aan de macht kwam, was het min of meer afgelopen met al deze zuilen. Door de komst van de media werden we collectiever. Iedereen las een krant en iedereen keek naar een bepaald TV programma.

Door de komst van de “emo-TV” werden de massamedia steeds minder massaal. Er kwamen steeds minder groepen en bijna iedereen werd een individu in deze samenleving. De boosdoeners waren de politiek en de media.

Geen opmerkingen: